Uw zoekacties: Instituut voor Veevoedingsonderzoek, met taakvoorgangers
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Geschiedenis van de archiefvormende organen
1.1 Algemeen
1.2 Instituut voor Veevoedingsonderzoek (IVVO) * 
1.3 Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) * 
sluiten
0723 Instituut voor Veevoedingsonderzoek, met taakvoorgangers
1 Geschiedenis van de archiefvormende organen
1.3 Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) * 
De ontwikkeling van de bacteriologie aan het eind van de vorige eeuw was voor de opbouw van de diergeneeskundige wetenschap van groot belang. In Nederland was het de dierenarts dr. J. Poels die zich geheel zelfstandig bekwaamde in deze nieuwe wetenschap. In 1897 aanvaardde dr. J. Poels de officiële opdracht van de Nederlandse regering tot bestudering van de "kalver-ziekte".
In 1904 volgde de oprichting van de Rijksseruminrichting (RSI) te Rotterdam met als taak: "het rechtstreeks dienstbaar maken aan de landbouw van de nieuwste veeartsenijkundige gegevens, voornamelijk met betrekking tot infectieziekten der dieren". Later vond een uitbreiding van het onderzoek plaats en werd ook aandacht geschonken aan andere gebieden van de dierziektenbestrijding, zoals parasitologie en toxicologie.
Circa 1930 viel het besluit naast de RSI een aparte organisatie in het leven te roepen, speciaal gericht op het onderzoek van het mond- en klauwzeer en op de uitwerking van de bestrijdingsmaatregelen tegen deze ziekte. Onder invloed van de reusachtige verliezen die het mond- en klauwzeer in de voorafgaande jaren de economie van Nederland had toegebracht, werd overgegaan tot de oprichting van het Staatsveeartsenijkundige Onderzoekingsinstituut te Amsterdam (SVOI) met als taak: "De bestudering van het mond- en klauwzeer-vraagstuk om te komen tot een rationele bestrijdingswijze".
Ingevolge de algemene tendens bij het ministerie van Landbouw en Visserij tot inschakeling van het bedrijfsleven bij het besturen van de landbouwkundige instituten, werd in 1958 de Stichting voor Diergeneeskundig Onderzoek opgericht. Als doel van de Stichting vermeld artikel 3 van de statuten:
1. De Stichting heeft ten doel:
a. het verrichten van diergeneeskundig onderzoek ten behoeve van de Landbouw en Volksgezondheid,
b. het bereiden van stoffen ter onderkenning, voorkoming en genezing van ziekten bij dieren, het aanhouden van een voorraad dezer stoffen, welke naar het oordeel van de Minister voldoende kan worden geacht ter voorziening van de behoefte van de veestapel in Nederland en in andere landen, waarmede daaromtrent afspraken bestaan, en het beschikbaar stellen daarvan, wanneer het belang van de bestrijding ener ziekte zulks eist.
2. De Stichting heeft mede ten doel werkzaamheden te verrichten ten dienste van het Veeartsenijkundig Staatstoezicht op de voet van het in artikel 4 bepaalde.
3. De Stichting beoogt niet het behalen van winst.
Na de oprichting van de Stichting voor Diergeneeskundig Onderzoek werden de RSI en het SVOI onder de Stichting gebracht. De namen werden toen gewijzigd in Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI), met de afdelingen Rotterdam en Amsterdam. Elk van de afdelingen be-hield zijn hiërarchieke directeur. Aan het hoofd van het CDI kwam een Algemeen Directeur. Het bureau van de Algemeen Directeur was gevestigd te 's-Gravenhage. In 1960 kreeg men bovendien de beschikking over het toeleveringsbedrijf Houdringe te De Bilt, teneinde de levering te garanderen van geconditioneerde dieren vrij van ziektekiemen. Vanaf 1 januari 1961 bestond het CDI zodoende uit:
1. Bureau van de Algemeen Directeur van het CDI, Seinpostduin 18, 's-Gravenhage.
2. CDI, afdeling Amsterdam, Grote Kattenburgerstraat 7, Amsterdam
3. CDI, afdeling Rotterdam, Prof. Poelslaan 35, Rotterdam
4. Boerderij op Houdringe te De Bilt.
Een nijpend tekort aan ruimte deed zich in beide instituten in toenemende mate gevoelen. Reeds in 1953 werd een terrein in De Bilt ter beschikking gesteld. Bij de uitwerking van de bouwplannen bleek deze locatie echter minder geschikt. Na bestudering van verschillende alternatieven werd uiteindelijk besloten tot nieuwbouw voor de gehele CDI in Oostelijk Flevoland. Een programma van eisen werd in 1966 aan de minister van Landbouw en Visserij aangeboden.
-- De afdeling Virologie, gevestigd aan de Houtribweg te Lelystad --.
De afdeling Amsterdam kon in 1972 de nieuwe behuizing in Lelystad betrekken. De naam werd veranderd in afdeling Virologie.
Voor het instituut te Rotterdam diende een herzien programma van eisen te worden opgesteld, dat in 1973 aan de minister werd voorgelegd. Ondertussen had de benarde ruimtelijke situatie in het instituut te Rotterdam geleid tot:
- het tijdelijk onderbrengen van de afdeling Pluimveeziekten in van de Gezondheidsdienst door Pluimvee te Doorn gehuurde laboratoria en proefdierruimten (1969);
- het bouwen van semi-permanente laboratoria en stalruimte, ten behoeve van de afdeling Parasitologie in Lelystad (1970);
- het overbrengen van de afdeling Aviaire Leucose van Rotterdam naar de afdeling Virologie te Lelystad, waardoor aldaar een aantal laboratoria aan de oorspronkelijke bestemming werd ontrokken (1972).
In de verdere jaren hierna werd het onderzoek van het CDI zelfs over tien vestigingen in Neder-land verspreid.
Het hoofdkantoor (Algemeen Directeur) verhuisde in 1973 eveneens naar Lelystad en werd ondergebracht in een van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders gehuurde ruimte. Na jaren van plannen maken kon echter in 1978 gestart worden met de bouw van een nieuwe hoofdvestiging aan de Edelhertweg te Lelystad. Het uiteindelijk ontwerp van de architecten ir. H.E. van Gelder en ir. G.J. Kaper werd geheel in laagbouw uitgevoerd. Op 4 oktober 1982 werd het gebouw officieel geopend door de onthulling van een plaquette met de beeltenis van de grondlegger van het CDI, prof.dr. J. Poels.
Tegelijk met de verhuizing werd een reorganisatie van het onderzoek afgesloten. Het onderzoek werd georganiseerd in disciplines, te weten: Bacteriologie, Immunologie, Analytische Chemie en Toxicologie, Virologie en Parasitologie. Voor de nodige aansluiting bij de praktijk zorgde de afdeling Bedrijfsdiergeneeskunde en Pathologie, die als enige afdeling werd ingedeeld naar diersoort. Daarnaast functioneerden de Productie afdelingen en de afdeling Controle en Standaardisatie. Een matrix organisatie zorgde voor een effectieve aansluiting tussen onderzoekprojecten en afdelingen.
Het Toeleveringsbedrijf hield aanvankelijk twee vestigingen, n.l. in De Bilt en in Lelystad. In 1984 werd definitief besloten dat de vestiging De Bilt zou worden gesloten en dat de activiteiten zouden worden overgebracht naar Lelystad. Per maart 1985 werd het instituut ondergebracht in de Directie Landbouwkundig Onderzoek (DLO). Daarmede kwam een einde aan een beheers- en beleidsrelatie met de Directie Veterinaire Dienst.
Vanaf de tweede helft van de jaren tachtig kwam de personeelsformatie steeds verder onder druk te staan. Naast diverse afslankingsoperaties werd men tevens geconfronteerd met het Beleidsbesluit tot Verzelfstandiging van delen van de DLO-organisatie. Vanaf 1990 kwam de discussie op gang over de mogelijkheden om het Dierlijke Productie Onderzoek binnen DLO in één instituut te concentreren. Sinds september 1991 werd daar door vele medewerkers van de vier betrokken instituten aan gewerkt.
De uiteindelijke fusie vond per 15 december 1993 plaats (zie hiervoor totstandkoming van het DLO-instituut voor Veehouderij en Diergezondheid (ID-DLO).
Directeuren:
Rijksseruminrichting / Afdeling Rotterdam:
1904-1922 Prof. dr. J. Poels
1922-1940 Dr. L.F.D.E. Lourens
1940-1942 Dr. B.J.C. Te Hennepe
1942-1945 Dr. C.J. de Gier
1945-1948 Dr. H.E. Reeser Sr.
1948-1969 Drs. G.M. van Waveren
1969-1971 Dr. J.I. Terpstra (adj. dir.)
1969-1973 Drs. P.H. Bool (adj. dir.)
1973-1982 Dr. J.M. van Leeuwen (plv. dir.).

Staats Veeartsenijkundig Onderzoekingsinstituut / Afdeling Amsterdam / Afdeling Virologie:
1933-1940 Dr. H.S. Frenkel
1940-1945 Drs. G.M. van Waveren
1945-1961 Dr. H.S. Frenkel
1961-1982 Prof. dr. J.G. van Bekkum.

Algemeen Directeur:
1960-1973 Dr. L. Hoedemaker
1973-1986 Drs. P.H. Bool
1986-1987 Dr. J.M. van Leeuwen (wnd.)
1987-1993 Prof. dr. C.J.G. Wensing
1.4 Centrum voor Onderzoek en Voorlichting voor de Pluimveehouderij "Het Spelderholt” te Beekbergen (CVOP) * 
1.5 Instituut voor Veeteeltkundig Ondewrzoek "Schoonoord"(IVO) * 
1.6 Totstandkoming van het DLO-Instituut voor Veehouderij en Diergezondheid (ID-DLO)
Geschiedenis en bewerking van de archieven
2.1 Geschiedenis van het archief
2.2 Verantwoording van de bewerking
2.3 Citeerinstructie
2.4 Openbaarheid
Kenmerken
Datering:
(1890) 1957-1993
Omvang in m.:
10,125
Auteur toegang:
Centrale Archief Selectiedienst
Auteur:
Centrale Archief Selectiedienst
Openbaarheid:
Openbaar
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS