Uw zoekacties: Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Geschiedenis van het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders over de periode 1972-1979
Ter uitvoering van de Zuiderzeewet van 1918 zijn in de voormalige Zuiderzee - en later in het IJsselmeer- een viertal polders aangelegd (zie afbeelding 1).
Na het droogvallen van de Wieringermeerpolder en de Noordoostpolder vielen in 1957 en 1968 Oostelijk- respectievelijk Zuidelijk Flevoland droog. Op het moment dat een polder droogviel werd een stuk grondgebied aan het Nederlands territoir toegevoegd dat bestuurd diende te worden. De geëigende organen hiertoe waren gemeenten, provincies en Rijk. Een polder was op het moment van droogvallen een lege moddervlakte die nog niet voor bewoning geschikt was. Er waren dus geen bewoners die bijvoorbeeld een gemeenteraad konden kiezen. Toch dienden er vele beslissingen genomen te worden die normaal gesproken ter competentie van een gemeente zijn. Hierbij vormde een extra complicatie dat de polders waren ontstaan in wateren die niet provinciaal waren ingedeeld. De uitvoering van het Zuiderzeeproject startte in de jaren dertig van deze eeuw. Een nieuw element, vergeleken bij vroegere inpolderingen, was de grote rol van de overheid. Deze overheidsbemoeienis vond zijn grondslag niet alleen in de ervaringen met eerdere inpolderingen maar ook in een grotere overheidsinvloed op de samenleving als geheel.
Vanwege het aanvankelijk ontbreken van de gebruikelijke gemeenschapsvormen werden ter verdere ontwikkeling van de polders unieke bestuursvormen ingesteld, de zogenoemde openbare lichamen, met aan het hoofd een landdrost, die de gemeentelijke taken en bevoegdheden kregen toebedeeld. Zo ontstond in 1955 het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders voor de gebieden van Oostelijk- en Zuidelijk Flevoland en het nog niet ingepolderde Markermeer (zie afbeelding 2).
Het Openbaar Lichaam functioneerde dus als voorloper en wegbereider van de gemeenten die later in dit gebied werden gevormd. De taak van de ruimtelijke ordening bleef echter vooralsnog voorbehouden aan de rijksoverheid die hiervoor speciale rijksdiensten in het leven riep die ressorteerden onder het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Het Openbaar Lichaam had tot taak met behulp van de verkregen bevoegdheden gemeentelijke taken uit te voeren en in samenwerking met de rijksoverheid de komst van de gemeenten zo goed mogelijk voor te bereiden. Daartoe werd een ambtenaren- en bestuursapparaat opgebouwd en groeide de bestuurspraktijk binnen het Openbaar Lichaam geleidelijk in de richting van een gemeentevorm. In bijlage I is een schematisch overzicht opgenomen van de achtereenvolgende gemeentewordingen in de latere provincie Flevoland en het resterend taakonderdeel van het Openbaar Lichaam.
Voor de gekozen inventarisatieperiode 1972-1979 is de geschiedenis van het laatst gevormd openbaar lichaam van direct belang. Op 10 november 1955 trad de Wet tot instelling van een Openbaar Lichaam voor de Zuidelijke IJsselmeerpolders in werking (Staatsblad 1955, nr. 521 ).De taken en bevoegdheden van de gemeentelijke bestuursorganen werden in handen gelegd van de landdrost die door de Kroon werd benoemd. Zoals reeds vermeld werden niet alle gemeentelijke taken aan het Openbaar Lichaam opgedragen. Het opstellen van bestemmingsplannen met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de bebouwing van de ontgonnen gebieden werden door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders opgesteld en door de minister van Verkeer en Waterstaat beoordeeld. Aangezien de ingepolderde gebieden nog niet provinciaal waren ingedeeld kwamen ingevolge artikel 6 van bovengenoemde wet de taken en bevoegdheden welke normaliter toekomen aan Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin in de provincie, nu toe aan de minister van Binnenlandse Zaken. Bijzonder was wel dat op voorspraak van de minister van Binnenlandse Zaken de landdrost zich ingevolge artikel 16 kon laten bijstaan door een of meer commissies van advies. Hier werd door de landdrost meerdere keren gebruik van gemaakt.
Bestuurlijke ontwikkelingen
Organisatie
De geschiedenis van het archief
Zoals uit vorenstaande mag blijken zetelde het Openbaar Lichaam in diverse (latere) gemeenten. De steeds hiermee gepaard gaande verhuizing hield ook in dat de administratie en het gevormde archief mee overging. In de inventarisatieperiode 1972-1979 zetelde het Openbaar Lichaam in Lelystad en Almere. Ten aanzien van de postbehandeling en het archiefbeheer hanteerde men intern opgestelde richtlijnen en werkinstructies die pas veel later werden vervat in de "Regeling inzake de zorg voor het beheer en het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de ZIJP". Deze regeling werd bij besluit van 20 juni 1978 vastgesteld door de landdrost gehoord hebbende de Adviesraad Almere. Voorgaande regelingen zijn niet opgesteld. Met betrekking tot de postbehandeling en registratuur kan vastgesteld worden dat de als gangbaar geachte gemeentelijke werkmethoden werden gevolgd. Een centrale postontvangst en registratuur, een zaaksgewijze ordening van archiefbescheiden waarbij de BasisArchiefcode van de VNG werd gehanteerd. De post werd aanvankelijk geregistreerd middels het fiche- doorschrijfsysteem waarna in 1976 werd overgestapt naar het fotokopieersysteem waarbij fiches werden gebruikt op A6-formaat. De ingekomen poststukken werden voorzien van een poststempel. Registers van ingekomen brieven of fiches zijn niet bewaard gebleven.
Het archief zoals werd aangetroffen beslaat de periode 1955 (Wet tot instelling van het Openbaar Lichaam) tot heden. Het betreft echter niet het gehele archief zoals oorspronkelijk is gevormd. Een drietal "categorieën" van archiefbescheiden berusten elders. Een tweetal geregeld vanuit wettelijke bepalingen een derde vanuit praktisch oogpunt. Bij de Wet tot instelling van de gemeente Dronten (Staatsblad 1971, nr. 342 en 536 ) werd opgenomen dat alle archiefbescheiden die specifiek betrekking hadden op de gemeente Dronten werden overgedragen aan deze gemeente. Bij de latere Wet tot instelling van de gemeente Lelystad en nadere vaststelling van de gemeentegrens Dronten (Staatsblad 1979, nr. 378 en 441 ) werd een hiervan afwijkende regeling gehanteerd. In artikel 28 werd namelijk bepaald dat alle archiefbescheiden van het Openbaar Lichaam betrekking hebbende op het gebied van de gemeente Lelystad in bruikleen werden overgedragen aan de gemeente Lelystad. Hierbij werd geen termijn aangegeven voor hoelang deze bruikleen geldt. Wel is in het eerste lid van artikel 28 bepaald dat de overbrenging als bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1962 ten aanzien van deze bescheiden plaatsvindt als had de overgang niet plaatsgevonden.
De gemeente heeft dus slechts het gebruiksrecht van de archiefbescheiden van het Openbaar Lichaam betreffende het eigen gemeentelijk grondgebied. Te zijner tijd zouden in principe deze archieven weer verenigd moeten worden en als archief van het Openbaar Lichaam overgebracht moeten worden naar de Rijksarchiefbewaarplaats in de provinciehoofdstad Lelystad. In de praktijk gezien zal in deze naar een praktische oplossing worden gezocht. In het archief van het Openbaar Lichaam is in de periode 1980-heden een dossier aanwezig waarin de processen-verbaal zijn opgenomen van de dossiers welke ingevolge voornoemde wet naar de gemeente Lelystad zijn overgegaan. De processen-verbaal zijn in 1981 opgemaakt en ondertekend. Gelet op de grote hoeveelheid bijlagen zijn de processen-verbaal niet als bijlage in deze inventaris opgenomen. De derde "categorie" betreft de registers van de burgerlijke stand die zich in het archief van de gemeente Almere bevinden. Aangezien de registers frequent geraadpleegd worden en niet te splitsen zijn is uit praktisch oogpunt besloten om deze bij de gemeente Almere te laten en niet in deze inventaris op te nemen.
Het overblijvend deel van het archief is tenslotte met de laatste verplaatsing van het Openbaar Lichaam terecht gekomen in Almere. De zetel van het Openbaar Lichaam en de administratie is nu in Almere gehuisvest in het Stadhuis van Almere waarbij het archief is geplaatst in de ruimte van het semi-statisch archief van de gemeente Almere. Bij de dossiervorming zijn de dossiers rechtstreeks geplaatst in archiefdozen in het semi-statisch archief van de gemeente Almere waarbij de dossierinventaris als directe ingang geldt. De werkzaamheden die nog worden verricht ten aanzien van dit archief worden verricht door archiefmedewerkers van deze gemeente. Ter inventarisatie is het archief in zijn geheel vanuit Almere overgebracht naar het Rijksarchief Flevoland in Lelystad. De formele overdracht vindt in een later stadium plaats. Zie verder ook onder "Verantwoording".
Tijdens de vorming van het archief is sprake geweest van gecentraliseerd archiefbeheer. Er werden geen archieven bijgehouden buiten het centraal archief. Het archief is daarbij zaaksgewijs geordend met behulp van de Basisarchiefcode van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 1971, 6e druk. Er is geen ordeningsplan vervaardigd en er is tevens geen sprake van enige blokvorming. Van alle dossiers die in Almere zijn geplaatst en daar ook nog worden gevormd is een (geautomatiseerde) dossierinventaris aanwezig. Ook de financiële bescheiden zijn hierin opgenomen. Voor het overige zijn geen kaartsystemen of andere ingangen aangetroffen. In Almere heeft in de loop der tijd ook de vernietiging plaatsgevonden van de daarvoor in aanmerking komende bescheiden. Hierbij heeft men gebruik gemaakt van de vernietigingslijst van het ministerie van Binnenlandse Zaken voor gemeentelijke organisaties 1983. Hiervan zijn echter geen verklaringen opgemaakt.
De materiële toestand waarin het archief is aangetroffen is als goed te beschrijven. Alvorens de bescheiden zijn opgeborgen in zuurvrije omslagen en dozen is er ontspijkerd. De omvang van het archief beslaat ongeveer 12 m-1 exclusief het deel dat zich bij de gemeente Lelystad bevindt.
Verantwoording van de inventarisatie
Het archief van het Openbaar Lichaam is door mij geïnventariseerd in het kader van de opleiding Voortgezette Vorming Archiefbeheer (V.V.A.) van de Stichting opleidingen en examens voor documentaire informatievoorziening en administratieve organisatie (S.O.D.) in de periode oktober 1993-september 1994. De inventarisatie vond plaats onder begeleiding van de heer drs. J.H.M. Wieland, provinciaal inspecteur der archieven en tevens Rijksarchivaris in Flevoland.
Uit praktische overwegingen zijn de archiefbescheiden ter inventarisatie overgeplaatst vanuit het Stadhuis van Almere naar het Rijksarchief in Lelystad. Voor de inventarisatie is niet gekozen om het archief als geheel te inventariseren maar werd qua omvang en samenstelling als zodanig door de heer Wieland beoordeeld dat deze voor twee personen gelegenheid bood om een inventaris te vervaardigen. In hoofdlijnen is het archief gesplitst in drie tijdsperioden die samenvallen met de gemeentewording van Dronten (1972), Lelystad (1980) en de resterende taakuitoefeningsperiode van het Openbaar Lichaam waarin o.a. de gemeentewording van Almere en Zeewolde een feit werd (1984). De twee tijdsblokken 1955-1971 en 1972-1979 zijn derhalve afzonderlijk geïnventariseerd waarbij de resterende bescheiden vanaf 1980 tot heden zijn teruggebracht naar het Openbaar Lichaam in Almere. De door mij uitgevoerde inventarisatieperiode (1972-1979) beslaat het tijdvak dat ligt tussen de gemeentewording Dronten per 1 januari 1972 en de gemeentewording Lelystad op 1 januari 1980. De begin- en eindperiode worden gemarkeerd door verandering in bestuursvorm van Openbaar Lichaam in gemeente.
Een van de eerste werkzaamheden van de inventarisatie bestond uit het splitsen van het totale archief van het Openbaar Lichaam in de gekozen tijdsperioden 1955-1971, 1972-1979 en 1980- tot aan heden. Niettemin zijn er archiefbescheiden die qua datering buiten de periode vallen maar hierin wel zijn opgenomen. Hierbij zijn de volgende richtlijnen gehanteerd:
- in principe zal de datum van het definitieve besluit in een zaak, de datum zijn die van belang is voor de eventuele splitsing;
- als een besluit, dat zich bevindt in het archiefblok 1972-1979, na 1979 wordt gewijzigd, dan blijven alle wijzigingen bij het oorspronkelijk besluit (bijvoorbeeld bij verordeningen);
- bij persoonsdossiers is de datum van benoeming de datum die bepalend is voor de splitsing.
Voor zover van belang zijn als gevolg hiervan in de inventaris onder blanconummers verwijzingen opgenomen naar de inventaris van de periode 1955-1971.
Tijdens de inventarisatie zijn enkele bescheiden aangetroffen die volgens de van toepassing zijnde vernietigingslijst voor vernietiging in aanmerking komen. Deze bescheiden zijn op een lijst geplaatst en voorgedragen voor vernietiging. Overigens is met de beoordeling van wel of niet vernietigen omzichtig gehandeld. Enkele bescheiden die strikt genomen ook voor vernietiging in aanmerking zouden komen zijn in overleg met de heer Wieland hiervan uitgesloten omdat zij toch een goed beeld geven van het totaal (historisch) functioneren van het (gebied van) het Openbaar Lichaam.
Voor de indeling van het inventarisschema is gekozen voor de indeling "Stukken van algemene aard" en "Stukken betreffende bijzondere onderwerpen".De opbouw van de rubrieken in het deel van de "Stukken betreffende bijzondere onderwerpen" is nagenoeg naar analogie van de rubriekenindeling van de Basis Archiefcode. De gekozen indeling en analogie zijn hanteerbaar vanwege de zaaksgewijze ordening van de stukken van het archief van het Openbaar Lichaam volgens de Basis Archiefcode van de VNG. Waar dit noodzakelijk werd geacht zijn rubrieken aangepast. Dit is het geval wanneer bijvoorbeeld de vlag de lading niet dekte of wanneer een modernere of duidelijker benaming gewenst was. Tevens was het noodzakelijk uitgebreide rubrieken nader onder te verdelen om de toegankelijkheid te vergroten.
Tenslotte gaat mijn dank uit naar een ieder die geholpen heeft bij het vervaardigen van de inventaris. In het bijzonder wil ik mijn mentor, de heer drs. J.H.M. Wieland, rijksarchivaris en provinciaal inspecteur der archieven in Flevoland, bedanken voor de wijze waarop hij mij bij het vervaardigen van de inventaris heeft begeleid.
Literatuur
- Duin, R.H.A. van, en G. de Kaste, , RIJP, 3e druk, Lelystad, 1987;
- Peys, R., Flevoland de 12e provincie, 1985, Terra Zutphen en
- Verkaik, J.P., P.C. van Royen, 50 jaar bestuur in Flevoland, Noordoostpolder en Wieringermeer; Het "Openbaar Lichaam" 1937-1987, publicatie van de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders, deel 57, Uitgeverij Walburgpers, 1993.
Illustraties
- De foto's die zijn gebruikt zijn afkomstig uit het fotoarchief van de Directie Flevoland van Rijkswaterstaat te Lelystad;
- Het gebruikte kaartmateriaal is afkomstig uit het boekwerk Het Zuiderzeeprojekt in zakformaat.
Bijlage I Chronologisch overzicht gemeentewordingen
Chronologisch overzicht van gemeentewordingen in de per 1 januari 1986 ingestelde provincie Flevoland en de taakuitoefening van het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders.
Bijlage II Overzicht bestuurslichamen en instellingen
1965 Gekozen Commissie van Advies voor het gebied van Dronten.
1968 Gekozen Adviesraad en Dagelijks Adviescollege voor Dronten en instelling door de minister van Binnenlandse Zaken van een Commissie van Advies voor Lelystad.
1972 Gemeentewording Dronten; Commissie van Advies voor Lelystad wordt Adviesraad Lelystad.
1974 Instelling Commissies van Advies en Bijstand ter ondersteuning van de werkzaamheden van het Dagelijks Adviescollege.
1976 Beëindiging van de personele unie van de directeur/landdrost dr.ir. W.M. Otto; Benoeming prof.dr. R.H.A. van Duin tot directeur van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders; Benoeming de heer J.C.J. Lammers tot landdrost van het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders.
1977 Instelling gekozen Adviescommissie voor Almere.
1978 Gekozen Adviesraad Almere en Dagelijks Adviescollege Almere.
1979 Eerste gemeenteraadsverkiezingen voor Lelystad.
1980 Gemeentewording Lelystad.
1982 Instelling gekozen Adviescommissie voor Zeewolde.
1984 Gemeentewording Almere; Verkiezingen voor gemeenteraad Almere; De heer J.C.J. Lammers wordt burgemeester van Almere en blijft landdrost van het Openbaar Lichaam.
1984 Gemeentewording Zeewolde.
1985 Instelling provincie Flevoland; De heer J.C.J. Lammers wordt benoemd tot Commissaris der Koningin in Flevoland. De heer P.M.M. de Jonge treedt op als waarnemend landdrost.
1988 De heer R.S. Hofstee Holtrop volgt de heer De Jonge op als waarnemend landdrost.
Bijlage III Overzicht afdelingen en taken per 20-12-1974
Afdeling I
Organisme; openbare orde; openbare zedelijkheid; openbare gezondheid; ruimtelijke ordening; volkshuisvesting; verkeer en vervoer; economische aangelegenheden; vrijetijdsbesteding en landsverdediging
Afdeling II
Onderwijs en personeelszaken
Afdeling IIIs
Maatschappelijke zorg en arbeid
Afdeling IIIw
Gezondheidszorg; maatschappelijke dienstverlening; culturele zaken; sportzaken; samenlevingsopbouw en jeugdzaken
Afdeling IV
Financiën; belastingen en bedrijven
Afdeling V
Burgerlijke stand; bevolking; militaire zaken en verkiezingen
Afdeling VI
Registratuur; bestuurszaken; documentatie; reprografie; centrale inkoop; huishoudelijke dienst; automatisering; telecommunicatie en voorlichting.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
(1966) 1972-1979 (1980)
Omvang in m.:
9,25
Auteur toegang:
Wieten, G.J.
Auteur:
Wieten, G.J.
Openbaarheid:
Deels openbaar
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS