07 mei 2019

Op 3 september 1928 vult de 20 jarige Abraham Muijs uit Bunschoten formulier 00 in. Hij wil zich omscholen tot grondwerker. Abraham was niet alleen vissersknecht, maar ook zoon van een belanghebbende. Hij vraagt een vergoeding voor de kosten van de opleiding, die plaats zal vinden in Witteveen bij de Naamloze Vennootschap ‘Het landschap Drenthe.’ Tussen de Generale Commissie en de Vennootschap in Witteveen bestaat een overeenkomst. Deze regeling is ongetwijfeld getroffen om werkzoekenden tewerk te stellen. De Commissie reageert snel en geeft 4 dagen later toestemming. De kosten zullen over een tijdvak van 26 achtereenvolgende weken worden vergoed.  Op 10 september start de opleiding. Uit een brief die de burgemeester van Bunschoten op die dag aan de Commissie schrijft, blijkt dat 15 mensen uit Bunschoten die dag naar Witteveen zijn afgereisd. Vier van de aangemelde personen zijn niet naar Drenthe vertrokken, waaronder iemand die leed aan  een steenpuist. Die reist enkele dagen later af, belooft de burgemeester. Abraham is niet bij de groep die naar Witteveen vertrok, hier wordt geen reden voor opgegeven. De Generale Commissie trekt op 13 september haar beschikking tot een vergoeding in.