Uw zoekacties: Centrum voor Onderzoek en voorlichting voor de Pluimveehoude...
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Geschiedenis van de archiefvormende organen
1.1 Algemeen
1.2 Instituut voor Veevoedingsonderzoek (IVVO) * 
1.3 Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) * 
1.4 Centrum voor Onderzoek en Voorlichting voor de Pluimveehouderij "Het Spelderholt” te Beekbergen (CVOP) * 
1.5 Instituut voor Veeteeltkundig Ondewrzoek "Schoonoord"(IVO) * 
0724 Centrum voor Onderzoek en voorlichting voor de Pluimveehouderij 'Het Spelderholt' te Beekbergen en COVP
1 Geschiedenis van de archiefvormende organen
1.5 Instituut voor Veeteeltkundig Ondewrzoek "Schoonoord"(IVO) * 
De kiem voor de ontwikkeling die zou leiden tot het ontstaan van het Instituut voor Veeteelt-kundig Onderzoek "Schoonoord" was de in 1939 aan de Utrechtse Rijksuniversiteit gevormde Werkgemeenschap voor Endocrinologie. De oprichters waren dr. J.J. Duyvené de Wit en L.H. Bretschneider. Het onderzoek, dat destijds voornamelijk fundamenteel van aard was, werd uitgevoerd met behulp van gevorderde studenten in de biologie. Tijdens de oorlog richtte dit onderzoek zich meer op de veeteeltproductie en vlak daarna, in 1945, ging de Werkgemeenschap over naar de inmiddels opgerichte Landbouworganisatie T.N.O. Het jaar daarop nam de organisatorische opzet een vastere vorm aan. Er ontstond een Werkgroep voor Endocrinologisch Onderzoek met een bestuur onder voorzitterschap van de directeur van het Veeteeltwezen, ir. Th.C.J.M. Rijssenbeek. Het secretariaat en de leiding van het onderzoek bleven berusten bij dr. J.J. Duyvené de Wit, die ook met de leiding werd belast van de in hetzelfde jaar opgerichte Werkgroep voor Kunstmatige Inseminatie. De ontwikkeling van het onderzoekingswerk vormde in 1951 aanleiding de beide werkgroepen samen te voegen en om te zetten tot een Werkgroep voor Veeteeltkundige Onderzoekingen.
In 1952 vond de omzetting plaats en ging de werkgroep verder als Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek T.N.O. Daarmee was een hechter grondslag verkregen voor de voortzetting en de uitbouw van het veeteeltonderzoek.
Het reeds langer dringende probleem van de huisvesting van de onderzoekers kon nu eveneens krachtig worden aangevat. Voor het meest nijpende huisvestingsprobleem werd een oplossing gevonden door van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid het complex aan de Oostbroek-selaan te Utrecht te huren. Het gebouw werd verbouwd tot een stal- en laboratoriumcomplex, dat jarenlang als Centrum voor KI-onderzoek heeft gefunctioneerd. Het zoeken naar een definitieve vestigingsplaats resulteerde in 1954 tot de aankoop van het landgoed "Schoonoord", met naastgelegen boerderij, te Zeist. Toen verbouwing van het landhuis tot instituutsgebouw niet efficiënt bleek, werd tot nieuwbouw besloten. De proefboerderij "De Bunzing", bestemd voor proeven met runderen, kwam eind 1958 in gebruik. Het hoofdgebouw werd pas in 1963 voltooid. Onder-tussen was in 1961 in Maartensdijk grond gekocht voor het varkensproefbedrijf "Bantham", dat in 1966 gereedkwam en bevolkt werd door -door middel van operatie verkregen- specifiek-pathogeenvrije (SPV) biggen. Een belangrijke ontwikkeling voor het instituut was de bouw van een proefboerderijaccommodatie in Oostelijk Flevoland. In 1974 kwam de bouw gereed en op 27 juni 1974 verrichtte dr. J. M. Dijkstra, voorzitter van het bestuur, de feestelijke opening van het proefbedrijf " 't Gen".
-- Het Instituutsgebouw van het IVO te Zeist --.
Het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek hield in 1957 op rechtstreeks deel uit te maken van de Organisatie T.N.O. Deze afsluiting vloeide voort uit de algehele reorganisatie van het landbouwkundig onderzoek. Het IVO werd daarbij omgezet tot een ministeriële stichting, ressorterend onder de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek T.N.O. Naderhand kwam daarnaast, binnen het ministerie, de Directie Coördinatie Onderzoek, die in 1967 overging in de Directie Landbouwkundig Onderzoek (DLO) met een directe verantwoordelijkheid voor het onderzoeksgebeuren in de instituten.
De overgang van het personeel in rijksdienst in 1957 maakte een organisatieschema, met daar-aan gekoppelde functiewaardering, nodig. Gezien de verspreide en veranderlijke huisvestingssituatie waren de mogelijkheden tot structurering gering. Het organisatieschema werd opnieuw bezien na het gereedkomen van de instituutsaccommodatie in 1967. Er werden afdelingen ingesteld, ten dele naar diersoort, ten dele naar de (zeer diverse) laboratoriumdisciplines. Enkele jaren later werd echter voor een andere invalshoek bij de interne organisatie gekozen, waarbij de afdelingen verdwenen en werd overgegaan tot een flexibele opstelling van de onderzoekers en werkgroepen rondom een bepaalde problematiek. Een belangrijke verworvenheid van de nieuwe werkgroepenstructuur was de grote ruimte tot eigen initiatief die dit de onderzoeker gaf binnen een duidelijke afbakening qua onderzoeksterrein. Elke werkgroep bevatte projecten die regelmatig door de eigen groep bediscussieerd werden. Latere maatschappelijke ontwikkelingen accentueerden in 1990 de noodzaak tot een strakkere organisatie met herstel van de afdelingenstructuur. Het onderzoek werd verdeeld over vier afdelingen met elk een eigen onderzoeksgebied. Deze gebieden waren:
- Huisvesting en Verzorging
- Slachtkwaliteit
- Voortplanting
- Fokkerij.
De omstandigheden die daartoe aanleiding gaven, waren in eerste aanleg de van jaar tot jaar verminderende overheidsbijdragen aan het instituutsonderzoek en de zich ontwikkelende denk-beelden over "verzelfstandiging" van het landbouwkundig onderzoek. Dit noopte tot een actievere opstelling ten aanzien van het verwerven van steun van het bedrijfsleven voor het onderzoek. Daarnaast werd de opstelling ten opzichte van het buitenlandse onderzoek minder vrijblijvend door de medefinanciering van onderzoek vanuit de EEG in het kader van meerjarenprogramma's.
In september van 1990 werd de naam van het instituut gewijzigd in DLO-Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek "Schoonoord" (IVO-DLO) in verband met de invoering van de nieuwe huisstijl door DLO.
Directeuren:
1952-1956 Prof.dr. P. Hoekstra
1956-1972 Ir. H. de Boer
1972-1989 Dr. W. Sybesma
1989-1993 Dr.ir. A.J. van der Zijpp.
1.6 Totstandkoming van het DLO-Instituut voor Veehouderij en Diergezondheid (ID-DLO)
Geschiedenis en bewerking van de archieven
2.1 Geschiedenis van het archief
2.2 Verantwoording van de bewerking
2.3 Citeerinstructie
2.4 Openbaarheid
Inventaris
Kenmerken
Datering:
(1920) 1921-1994
Omvang in m.:
18
Auteur toegang:
Centrale Archief Selectiedienst
Auteur:
Centrale Archief Selectiedienst
Openbaarheid:
Deels openbaar
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS